Zondag, na het eten, belde ik mijn moeder in Indiana. Ik vertelde haar over de wedstrijd van de week in de EuroLeague: Fenerbahçe heeft Olympiacos verslagen, 64-61. Ze vroeg of dat de stand na de rust was. Nee, mama. Eindstand.
Ik legde de rest uit. Fenerbahçe had na 18 minuten maar 14 punten. Ze stonden tot 16 punten achter. En ze hebben gewonnen. De coach, Sarunas Jasikevicius, zei tegen Eurohoops dat je op sommige dagen mooi speelt en op andere dagen lelijk, en dat hij niet verwacht had dat het zó lelijk zou zijn.
Let me tell you, het deed me denken aan 2000. Mijn eerste seizoen in Charleroi, een tas, een contract voor één jaar. Op een avond in december wonnen we een wedstrijd met net iets meer dan vijftig punten, in een sporthal met badmintonlijnen. Ik ging furieus naar huis. Ik had het gevoel dat we goed basketbal hadden verspild. De voorzitter betaalde me een koffie en zei: we hebben gewonnen, niet slecht.
Ik heb twintig jaar over dat „niet slecht” gedaan.
Mijn moeder luisterde. De coach zei ook dat zijn ploeg de laatste 25 minuten veel beter was geweest, en dat in het begin alles heel slecht liep. Ik vertaalde haar de zin die hij aan Eurohoops gaf: „We hebben deze wedstrijd gewonnen met ons karakter en ons geloof.”
Fenerbahçe deelt de eerste plaats, met 6 overwinningen en 1 nederlaag, en gaat naar Valencia. Olympiacos staat op 5 en 2 en speelt tegen Besiktas in Istanbul. Daarover vroeg mijn moeder niets.
Ze vroeg maar één ding: hoeveel Olympiacos in die 25 minuten had gescoord, als Fenerbahçe al die tijd beter was. Ik had het cijfer niet. Ze zei dat het niet erg was, dat er met 61 punten in veertig minuten voor de andere ploeg wel iemand had verdedigd, en dat dat zelden mooi is om naar te kijken.
Ze zei: zie je wel.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Eurohoops.







