Caleb Wilson speelde zijn eerste preseasonmatch met de Bulls, tegen de Suns. Chicago won. Hij stond in de basis. Eerste punten na vier minuten, met een fadeaway. Ik noteer de minuut, dat is het enige wat me interesseert bij een eerste basket.
Eindstand: 15 punten, 4 rebounds, 6 op 16 uit het veld, 0 op 4 achter de driepuntslijn. Dat staat erop. Het past in de kolommen, elk cijfer op zijn plaats, met de blauwe bic.
Daarna gaf hij zichzelf een punt. Hij zei tegen Basket USA: „Ik zou mezelf zeker een B geven. Ik heb fouten gemaakt, maar dat was te verwachten.” Ik haalde mijn map boven. Ik keek naar de zes kolommen. Punten, fouten, time-outs, niets dat op een letter lijkt. Aan de tafel geven we geen punten aan spelers. We noteren wat ze doen. Het rapport komt op maandag, op kantoor, en dat ben ik niet.
Hij zei ook: „De preseason telt statistisch niet mee.” Ik las het twee keer. Bij ons houd ik bij een vriendschappelijke wedstrijd toch het blad bij. De klok loopt hetzelfde, de buzzer gaat hetzelfde, en de ouder aan de shotclock vergist zich hetzelfde. Of het nu telt of niet, iemand schrijft het op.
Hij wil aan zijn verdediging werken, vooral aan de communicatie. Communicatie ken ik: dat is de coach die een time-out roept tijdens een levende bal. Ik antwoord niet. Ik heb er de kolom nog niet voor.
Hij heeft nog vier preseasonmatchen te gaan, te beginnen met de Grizzlies, vrijdag. Ergens houdt een tafel het blad bij. Die zet er geen B op.
Lijn van het blad: vijftien punten, vier rebounds, nota in de marge, niet gehomologeerd.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Basket USA.






