Austin Reaves speelt met Luka Doncic bij de Lakers. Hij vertelde ESPN LA, glimlachend, wat hem het meeste last bezorgt. Niet de verdediging. Niet de kalender. De taal. „Het moeilijkste is zijn Engels op het veld te verstaan”, zei hij. Daarna: „Hij begint snel te praten, in het Sloveens, in het Servisch. Hij spreekt vier talen.”
Ik las dat thuis, de farde open op de keukentafel, want daar leg ik ze op dinsdag. Vier talen. Mijn blad heeft er één. Het heeft zes kolommen, een vakje voor de naam, een voor het nummer, vakjes voor de fouten en de time-outs. Er is geen vakje voor de taal waarin je de time-out vraagt. Ik kijk elke zaterdag na, voor het geval de bond er een heeft toegevoegd. Hij heeft er geen toegevoegd.
De zin die ik onthoud, is de laatste. „Soms kijk ik naar hem en denk ik: Engels. Praat Engels met me. Ik heb Engels nodig.” Een speler die midden in het spel om een taal vraagt. Bij ons vraagt men een time-out, een scorecorrectie, soms hoe laat het is. Niemand heeft mij al om een taal gevraagd. Als het gebeurt, zal het zijn terwijl de bal in het spel is, en terwijl de bal in het spel is, antwoord ik niet.
Reaves en Doncic zijn nu de pijlers van een herschikte ploeg, na het vertrek van LeBron James, die acht seizoenen in Los Angeles had gespeeld. Twee pijlers, en tussen hen drie talen te veel voor een van de twee. Ik stel vast. De klok loopt in alle talen.
Ik kondig aan in twee talen en de helft van de zaal vindt dat al veel.
Ik noteer: oproep in het Sloveens, antwoord in het Engels, bal nog altijd in het spel. Het staat erop.
Het klopt, we hebben het nagekeken: BasketNews.





